|
Zwier van ’t Ende bekleed binnen ons elftal de functie van levende legende. Ik heb de indruk dat de leeftijd waarop hij nog actief voetbalde steeds legendarischer wordt, maar als ik aan het rekenen sla, kom ik tot ruim boven de pensioengerechtigde leeftijd. Op een gegeven moment stelden wij hem niet meer op, omdat we ontdekten dat hij nogal eens een pilletje onder de tong moest nemen in verband met de conditie van zijn hart. Dat we hem niet meer opstelden uit bezorgdheid stelde hij beslist niet op prijs.
Onlangs vernamen we dat hij binnenkort 60 jaar getrouwd zou zijn en dat met dezelfde vrouw en de enkele oudgedienden, die nog met hem gevoetbald hebben, spraken af dit niet te vergeten. Hij komt namelijk nog steeds geregeld uit Wezep tuffen om onze wedstrijden te bekijken en van positief kritisch commentaar (ahum) te voorzien. Ik zou hem namens ons (of toch nog; zijn) elftal een bloemetje sturen.
Eenmaal bij de bloemenzaak bedacht ik me dat het sturen toch ook wel erg onpersoonlijk was en besloot er toch zelf maar even langs te gaan. Ik belde om hem te feliciteren en informeerde tussen neus en lippen door of hij thuis was. Dat was hij. En z’n vrouw ook.
Hij liet me trots de brief zien die hij van de secretaresse van de Koningin had gekregen, maar liet tegelijkertijd weten dat hij de meegebrachte kaart met alle namen van de spelers erop veel en veel belangrijker vond. “Die bewaar ik ook weer dertig jaar”, beloofde hij me. “Vandaag of morgen gooi ik al die troep van je weg”, knipoogde zijn vrouw en ze mopperden even tegen elkaar van geluk. Hij legde de brief naast hem neer, naast een foto van hem als jonge knaap in uniform.
Hij vertelde me natuurlijk weer van Indië, waar hij gevochten had en waar ze op een open plek in de bushbush tegen elkaar voetbalden, met de geweren langs de lijn. Hij had gekeept en meer gekeken naar die bushbush, waar op elk moment de altijd onzichtbare vijand uit kon komen met lange kapmessen, dan naar de spelers voor hem en hoewel hij dat verhaal, tot onze hilariteit, al vaak verteld had aan de lijn, kreeg dat verhaal in de aanwezigheid van de brief van de secretaresse van de Koningin en van zijn vrouw en van de foto in zijn kleine bejaardenwoninkje ineens een andere lading. Ik zag ineens dat het niet zomaar een verhaal was, maar ooit een allesomvattende werkelijkheid in een nog jong mensenleven. Misschien vertelt wel niets indringender wat het voetballen in zijn leven betekend heeft.
Natuurlijk volgen nog meer anekdotes over zijn vader, over IJVV, over de stukjes over hem in de krant toen hij nog in het eerste voetbalde, geschreven door een verslaggever die hem vertederend “onze Zwier” noemde en hij lacht erbij en herhaalt het nog eens; “Ja, onze Zwier”. “Och, och”, moppert zijn vrouw, “hoor hem eens aan. Hij heeft wel een hoge dunk van hemzelf, hoor” en Zwier kijkt haar na zestig jaar nog steeds verwonderd aan.
Als ik dan toch maar een twee keer afgeslagen biertje gedronken heb en het inmiddels drie keer afgeslagen heb om mee te eten gaan we weer naar huis. “Kon je het nieuwe adres vinden, trouwens ?”, vraagt hij bij de deur. “Ja, ging wel, ik heb alleen bij het winkelcentrum even gevraagd”. “Heb je gevraagd naar van ’t Ende ?”, vraagt hij gretig. “Ach, van ’t Ende’s zijn er zoveel in Wezep”, mompelt zijn vrouw. “Ja, dat klopt”, glundert Zwier, “als je maar zegt “de voetballer”, dan weten ze het wel. Dan weten ze allemaal dat ik het ben”. “Hoor hem weer eens aan”, probeert zijn vrouw hem te temperen, maar ik doe er nog een schepje bovenop: “Ach ja, als ze het over de grote voetballers hebben, dan hebben ze het altijd over Cruijff, van Hanegem en van ’t Ende”. Er wordt gelachen en we nemen afscheid.
Op de weg terug moet ik onwillekeurig toch denken dat de vergelijking niet helemaal klopt; die twee zijn volgens mij nooit in Indië
geweest.
JAN
|